logo szutkowski av
nieuws - info - projecten - Links - contact


foto: scienceguide.nl
 
Interview
Prof dr. Roel Kuiper

Crisis in de partijpolitiek
Door: Kuba Szutkowski
30-03-2006

Vanaf het moment dat Pim Fortuyn zijn eigen partij oprichtte in 2002 lijkt de gevestigde partijpolitiek in een crisis te zitten. ’Ik ben nog niet zover om te zeggen dat het partijenstelsel zou moeten worden opgeblazen.’ aldus Roel Kuiper.

Minister Pechtold, van bestuurlijke vernieuwing, is een aantal initiatieven gestart om de politiek weer dichter bij de burger te brengen. Zo is er een burgerforum, bestaand uit geïnformeerde leken, die noodzakelijke veranderingen in ons kiesstelsel moeten formuleren. Daarnaast is er de nationale conventie. Dit is een groep specialisten die samen zijn gebracht om te denken over mogelijke vernieuwing in het politieke bestel. Roel Kuiper, hoogleraar Reformatorische Wijsbegeerte en prominent lid van de ChristenUnie, is aangesteld als lid van de nationale conventie. Deze conventie heeft  tot taak voorstellen te doen voor de inrichting van het nationaal politieke bestel die kunnen bijdragen aan herstel van vertrouwen tussen burger en politiek. Is er echter wel sprake van een crisis in de partijpolitiek? Zo ja, wat kan daar volgens Roel Kuiper dan aan gedaan worden?

Is er in Nederland sprake van een crisis in de partijpolitiek?
’Het is natuurlijk zo dat de partijendemocratie in Nederland een paar forse problemen kent. Als we het hebben over het onbehagen in de politiek dan is dat een van de meest in het oog springende dingen. Het gaat misschien niet eens zo vreselijk slecht met het functioneren van de overheid. We leven immers in een net land en de overheid weet op een nette en ordelijke manier het openbaar bestuur uit te voeren. De partijpolitiek verzwakt echter wel heel sterk. Zeker voor de grote partijen is het de vraag: wie of wat vertegenwoordigen wij nog? Bij de kleine partijen komt dat niet in dezelfde mate voor.

De kleine partijen, aan de linker-en rechterkant, zijn nog zeer goed in staat hun achterban vast te houden maar ook dat moet je niet overschatten. Ook in de kleinere partijen is er een crisis van de representatie. Deze partijen worden nog maar door een heel klein groepje gerund. Daarmee begint ook de kwaliteit, van de vertegenwoordigers van die partijen, af te nemen.’

Hoe komt dat dan?
’Dat heeft te maken met de functieverandering van partijen nadat wij de afgelopen dertig jaar in de maatschappij enorme veranderingen hebben doorgemaakt. Denk aan de doorgezette ontzuiling, secularisatie, de komst van allerlei nieuwe groepen en het verdwijnen van de grote ideologieën. De mensen hebben niet langer het gevoel dat de politieke vertegenwoordiging gebaseerd is op een botsing van beginselen, zoals dat vanouds altijd was.

De media spelen daar een belangrijke rol in. De politiek wordt voortdurend gepercipieerd als een botsing van belangen maar de botsing van beginselen wordt nauwelijks in beeld gebracht. De burger heeft een gevoel van afkeer van de politiek. Dit gevoel wordt gevoed door het idee dat de politiek toch niet luistert en vooral de eigen portemonnee vult. Deze afkeer ontstaat, denk ik, vooral uit de perceptie van de politiek als botsing van belangen.’

Wat zouden partijen daar dan aan moeten doen?
’Ik ben nog niet zover om te zeggen dat het partijenstelsel zou moeten worden opgeblazen. Ik zie voorlopig nog geen andere mogelijkheid dan een politiek systeem met partijen. Het hoort bij een vrije samenleving dat mensen partijen kunnen oprichten die ze zelf willen. Ook partijen die ontstaan vanuit reactie of protest. Antibewegingen - of ze nu ageren tegen de overheid of tegen de Islam - maken echter het democratisch stelsel niet per definitie sterker. Er is hier echter niet een makkelijke oplossing voor.

We moeten in ieder geval doorgaan met het investeren in de kwaliteit van de politiek. We moeten ook vooral partijen daarop aanspreken. Het zou bijvoorbeeld ingevoerd mogen worden dat het presidium van de Tweede Kamer hoort te overleggen met partijen over de manier waarop zij kandidaten selecteren. De Kamer zou daarmee mogen nadenken over een profiel voor kamerleden en ministers.

Het is eigenlijk merkwaardig hoe makkelijk het tegenwoordig is voor partijen uit de coalitie om personen voor het kabinet naar voren te schuiven. Het zou niet gek zijn als een partij een kandidaat voor het kabinet zou laten beoordelen in een soort openbare hoorzitting in de Kamer. Zoals dat bijvoorbeeld in de Verenigde Staten ook gebeurt.’

Flauwekul
Zou vernieuwing van het kiesstelsel geen uitkomst bieden?
’We hebben nu een systeem van evenredige vertegenwoordiging. Dat betekent dat ook kleine partijen deel kunnen nemen aan de politiek. Bij het huidige politieke bestel zal dat zo blijven. De heer Wilders pleit, niet als enige, voor een districtenstelsel maar dan krijg je dat alles zich zou gaan concentreren op een paar hoofdstromingen. Zoals je dat in de VS en Engeland ziet. Je krijgt dan een linkse en een rechtse stroom en misschien een christelijke stroom er tussen in. Een tweepartijen stelsel ligt dan in het verschiet.’

Is dat wenselijk?
’Ik vind dat onwenselijk om drie redenen. Ten eerste hebben we al een districtenstelsel gehad in de 19de eeuw tot begin 20ste eeuw. Daar hebben we slechte ervaringen mee omdat de vertegenwoordiging van minderheden niet echt uit de verf kwam. De dominante meerderheden konden sjoemelen met de districten. De grenzen werden bijvoorbeeld een beetje anders gelegd en dan ontstonden er toch de gewenste meerderheden.

Ten tweede is het huidige systeem veel eerlijker. Nu is de stem die je uitbrengt voor een partij echt zichtbaar en die kan gewoon het verschil maken of een partij een zetel krijgt of niet.

Ten derde is het land te klein voor een districtenstelsel. Een vaak gebruikt argument voor het districtenstelsel is dat er dan een band is tussen de gekozene en het district. Dit vind ik eigenlijk flauwekul. Ons land is bijvoorbeeld makkelijk te bereizen: als het moet zit een kamerlid zo in Groningen speeches te houden. Daarbovenop zijn de mogelijkheden van communicatie meer dan voldoende.’

Jip-en-Janneke-taal
Er wordt meestal gesproken over de crisis in de politiek maar is er in Nederland niet gewoon politieke crisis onder de kiezers?
’Er wordt vaak gezegd dat de kiezer altijd gelijk heeft. Dat is echter misschien een belemmering om te kijken naar de bewegingsredenen van die kiezer. Als er sprake is van desinteresse in de politiek, hoe geïnformeerd is de kiezer dan nog wel bij de stembus? Is het wel een geïnformeerde keuze of is het toch een soort kiezen met de vinger in de lucht?

Sommige politici vinden het ontzettend belangrijk dat ze volledig gelegitimeerd worden door het publiek. Ik kan me voorstellen dat deze politici het dan ook belangrijk vinden dat de kiezer goed geïnformeerd zijn stem uitbrengt. Je ziet bijvoorbeeld dat veel politici nu hun uiterste best doen om dicht bij de kiezer te komen. Ze gaan bij wijze van spreken op hun hurken en spreken in Jip-en-Janneke-taal.

Ik ben daar wat ontspannender in. Als mensen wegblijven bij de stembus dan moeten ze dat zelf weten maar ze moeten later niet meer zeuren. Het openbaar bestuur kan dan ook best gewoon doorgaan, ook al is de opkomst bij de stembus niet denderend.’

We hebben dus te maken met gedesinteresseerde kiezers?
’Het onbehagen in de politiek is natuurlijk een diffuus iets. In Nederland blijken mensen helemaal niet en masse zo ontevreden te zijn over de kwaliteit van de dienstverlening. Terwijl wel eens gezegd wordt dat daar het onbehagen uit voortkomt. Er is natuurlijk wel een onbehagen jegens een kabinet dat niet de voorkeur heeft van het electoraat. Op het ogenblik is er dus eigenlijk ook veel politiek gemotiveerd onbehagen vanwege het CDA/ VVD-kabinet. Dat is een rechts kabinet en links klopt dat onbehagen natuurlijk op. Straks komt er een links kabinet en dan klopt rechts het onbehagen weer op.

Verder zijn we natuurlijk in een onzekere tijd beland oftewel in een risicosamenleving, zoals Ulrich Beck (Duits socioloog, red.) dat zegt. Er zijn nu allerlei mondiale bedreigingen, zoals mondiale ziektes, terrorisme en economische recessies die ontstaan uit de internationale economie. Er is daarmee een algemene groei van gevoelens van onbehagen en onveiligheid en de mensen zoeken daar beschutting tegen. De burger zoekt bescherming bij de politiek voor deze zaken. Zo zag je bijvoorbeeld dat Pim Fortuyn door veel mensen werd gezien als een ware redder en Messias. De overheid is echter net zo onmachtig tegenover die internationale bedreigingen. De overheid zoekt dan weer op haar beurt naar antwoorden uit de samenleving.’

Wat verwacht u van de nationale conventie in deze problematiek?
De nationale conventie is een interessante poging om met nieuwe mensen discussie te voeren over de inrichting van het politieke bestel in Nederland. Het is een poging om los van de platgetreden paden over actuele problemen na te denken. Als straks de rapporten klaar zijn kunnen we rekenen op welwillendheid van het kabinet en de Kamer. Daarmee kunnen wel wat dingen los gaan komen in de gevestigde inrichting van het nationaal politieke bestel.

Is er een belofte in bestuurlijke vernieuwing?
’Bestuurlijke vernieuwing was tot nu toe veel te veel het stokpaardje van D’66 en in mindere mate van de PvdA. De winst van de nationale conventie is dat nu bestuurlijke vernieuwing een zaak is geworden waarbij alle stromingen betrokken zijn.

Bestuurlijke vernieuwing kan heel gemakkelijk een technische en mechanische discussie worden. Je moet dat echter verbinden met een discussie over hoe we Nederland nu eigenlijk willen zien. Wat zou de inrichting moeten zijn van onze samenleving in relatie tot bijvoorbeeld Europa? Hebben wij bepaalde waarden die wij belangrijk vinden?

Met deze vragen moet je beginnen. Niet andersom: eerst beginnen bij de techniek en daar dan vervolgens een argument bij bedenken waarom dat dan zo zou moeten. Bestuurlijke vernieuwing begint bij een breed gedragen inhoudelijke analyse en niet met puntjes in een partijprogramma en proefballonnen in de media. Dat is te dun voor een land dat al eeuwen een eigen democratische traditie kent. Zo zag je immers ook de problemen ontstaan rondom de kwestie van de direct gekozen burgemeester. Wie had daar nou eigenlijk om gevraagd?’|