logo szutkowski av
nieuws - info - projecten - Links - contact


foto: uvt.nl
 
Interview
Prof dr. A. Lans Bovenberg

Het cultiveren van de vrije markt
Door: Kuba Szutkowski
17-03-2006

De hedendaagse kapitalistische economie lijkt sinds de val van de Sovjet Unie begin jaren negentig definitief en mondiaal het heersende economische systeem te worden. Toch is de traditioneel linkse zorg dat de vrije markt een egoïstische wereld creëert, nog niet verdwenen. Vooraanstaand econoom Lans Bovenberg, plaatsvervangend lid van de Sociaal Economische Raad en winnaar van de prestigieuze NWO Spinoza Prijs, ziet het niet zo zwart-wit: "De vrije markt is slechts een middel maar is essentieel als het gaat om armoede-en werkloosheids-bestrijding en het creëren van kansen voor mensen om zich te ontwikkelen."

De vrijemarkteconomie wordt niet door iedereen onthaald als de redding van beschaving. De neomarxistische denker Herbert Marcuse, kopstuk in de Frankfurter Schule filosofie, maakte zich in de jaren zeventig al zorgen over de nieuwe rationaliteit die voortkwam uit de moderne kapitalistische samenleving. Sinds Marcuse zijn de zorgen niet weggenomen. Onlangs hoorde ik Luc Ferry, filosoof en voormalig Frans minister van onderwijs en wetenschap, vergelijkbare zorgen uitspreken over het moderne vrije-markt-denken (Nexus, Amsterdam 2005). Om maar iemand te noemen.

De vrije markt zou een systeem zijn dat geen zwakte en ethische verantwoordelijkheid duldt en daarmee diverse kwade praktijken in de wereld mogelijk maakt. De vrije markt heeft een dwingend karakter die slechts ruimte lijkt te laten voor degenen die meegaan in de materiële groei. Andersom is het ook waar: degenen die zich teveel zorgen maken om de ethiek van zijn of haar handelen op de marktplaats verliest de koelbloedigheid die verwacht wordt van een ondernemer. Morele bezwaren geven je een achterstand op je concurrentie. Deze koelbloedigheid lijkt daarmee noodzakelijk in het bedrijfsleven.

Kritiek is als volgt samen te vatten. De markt staat niet (langer) in dienst van de mens maar de mens staat in dienst van de markt. Hoe denkt Lans Bovenberg over dergelijke traditioneel linkse kritiek? Wat doet de vrije markt met beschaving?

De economie kan eisen stellen aan de levensloop van mensen. Hoe vind je een evenwicht tussen beleid rondom economische eisen op mensen en hun (natuurlijke) levensloop?
’Er is een onderlinge afhankelijkheid. Nationale en internationale economische ontwikkelingen hebben een invloed op hoe mensen hun levensloop inrichten alsmede de normen en waarden die breed ingang vinden. Aan de andere kant heeft de inrichting van de maatschappij en de cultuur, de normen en waarden die mensen belangrijk vinden, weer een invloed op de economie. Het is niet zo dat het ene het andere vooraf gaat. Je ziet nu bijvoorbeeld in onze economie een omslag van een industriële economie naar een kenniseconomie die veel meer drijft op talenten van vrouwen. Het is een economische ontwikkeling waarbij er relatief meer vraag komt naar vrouwen op de arbeidsmarkt en dat heeft een effect hoe wij denken over de rol van de vrouw. Er zijn veel samenlevingen die worstelen met de daaraan gerelateerde vraag hoe je arbeid en zorg kunt combineren.

Vroeger was het natuurlijk zo dat de man zich richtte op zijn carrière terwijl moeder de vrouw thuis alle problemen oploste. Er zijn echter ook culturele factoren die deze trend bepalen. Tegenwoordig willen vrouwen meer dan alleen moeder zijn maar willen ook een carrière in betaald werk. Marx geloofde dat de economie de normen bepaalde. De onderbouw als determinant van de bovenbouw. Wat dat betreft ben ik geen marxist. Ik geloof dat culturele en geestelijke zaken ook bepalend zijn voor de inrichting van de economie. Dat blijkt wel als je kijkt naar hoe verschillende culturen omgaan met hun economie.’

Is er in Nederland een goed evenwicht, in vergelijking tot andere Europese landen?
’Ik denk dat Nederland nog bezig is met aanpassen aan die nieuwe levensloopvormen in de maatschappij. Nederland is daar nog wat onwennig in en onze instituten zijn daar nog onvoldoende op ingericht, al is dat echter wel een continu aanpassingsproces. Er zijn in Europa verschillende modellen van hoe de opvoeding van jonge kinderen geregeld worden. Onze cultuur is anders dan bijvoorbeeld de Scandinavische dus er zullen ook andere oplossingen komen.

In Scandinavië is er een hele grote rol voor de overheidsuitbesteding in de publieke sector. Er is daar een groot vertrouwen in de overheid. In Angelsaksische landen is men weer meer gericht op de markt waar ook deeltijdwerk mogelijk gemaakt wordt zodat mensen zelf voor hun kinderen kunnen zorgen. Dat wil daarmee niet zeggen dat Nederland het heel slecht doet. Het gaat in veel gevallen beter dan in Zuid-Europese landen. In Zuid-Europa heb je geen van die dingen. Geen goede overheidsvoorzieningen, geen goedwerkende markt en je hebt geen deeltijdwerk.’

Een kwestie van schaarste
Een traditionele linkse zorg is dat de vrije markt te bepalend kan worden voor de wetenschap en het onderwijsaanbod. Moet het beleid van universiteiten bepaald worden door marktmechanismen van vraag en aanbod?
‘In bepaalde zin wel. Het gaat erom dat universiteiten voldoen aan de vraag uit de samenleving. Je zou hier kunnen spreken van vraag en aanbod. De goederen die universiteiten aanbieden zijn in principe publieke goederen. Ze zijn gericht op de publieke vraag, niet op een individuele vraag. In die zin kan je dit goederenaanbod beter overlaten aan de markt en niet aan individuen. Dit kan door middel van openbare cultuurvorming wat bijdraagt aan de publieke meningsvorming. Kennis is de onderwereld van onze cultuur en daar is ook een belangrijke rol voor universiteiten die aan die kennis kunnen bijdragen. Het zou goed zijn als in het hoger onderwijs marktkrachten een grotere rol zouden spelen omdat universiteiten nog vaak te vrijblijvend omgaan met hun onderwerpen.’

Uw, aan de Universiteit van Tilburg verbonden, onderzoeksorganisatie: Netspar wordt gesponsord door banken en verzekeraars. Loopt u niet het gevaar uw wetenschappelijke autonomie te verliezen? 
’Daar ben ik niet zo bang voor. Ten eerste staat het in de statuten van Netspar heel helder dat wij onafhankelijk zijn. We proberen daarnaast heel veel sponsors te krijgen zodat je niet afhankelijk bent van één of twee sponsors. Ten derde besef je natuurlijk dat je ook je wetenschappelijke reputatie kan verliezen als je je onafhankelijkheid opgeeft. Dit laatste is eigenlijk de allerbelangrijkste waarde die je hebt tegenover je collega’s. Sterker nog ze hebben mij ook ingehuurd op deze positie vanwege mijn wetenschappelijke reputatie. Bedrijven zouden best mogen meebepalen welke onderzoeken er worden gedaan. Ik ben daar niet zo op tegen.’ Lachend voegt Bovenberg toe: ‘als ze maar niet meebepalen wat de uitkomst van een onderzoek is.’

Hoe is het op een universiteit te werken die misschien meer dan andere universiteiten de levensbeschouwelijke kant en de geesteswetenschappen accentueert?
’Dat is een verrijking van mijn vakgebied omdat geestelijke factoren een steeds grotere invloed krijgen binnen de economie. Je ziet dat immateriële zaken zoals normen en waarden van mensen steeds belangrijker worden in het ontrafelen van hoe een economie functioneert. Ook in het vakgebied economische wetenschappen is er een erkenning voor deze belangrijke rol van normen en waarden.’

Zijn de geesteswetenschappen van economische waarde?
’Dergelijke disciplines zijn niet nutteloos maar het is moeilijk om die van een prijskaartje te voorzien. Het voldoet blijkbaar wel aan een bepaalde behoefte die de samenleving heeft en in die zin heeft het een bepaalde economische waarde. Vaak denken niet-economen dat economie alleen over geld gaat. Dat hoeft niet. Economie gaat in principe over behoefte bevrediging en in die zin hebben dergelijke disciplines ook een economische waarde. Het is een kwestie van schaarste. Arbeidstijd van een persoon is een schaarste. Als je dan filosofie studeert dan vindt de samenleving het blijkbaar toch nuttig dat je dat doet. Je had immers ook iets anders met je tijd kunnen doen. Economen houden zich dan ook steeds meer bezig met terreinen waarvan niet economen zouden zeggen: dat heeft niets met economie te maken.’

Europese toppers als Zweden en Finland investeren beduidend meer in onderzoek en ontwikkeling dan Nederland. Wat vindt u hiervan?
’Ik zou wensen dat wij in Nederland wat meer zouden investeren in het onderwijs maar dat betekent natuurlijk dan ook dat andere dingen weer wat minder moeten. Het is te makkelijk om te zeggen: we investeren meer in het hoger onderwijs. Je moet je dan ook afvragen wat voor een middelen je daarvoor hebt. Het zou kunnen dat mensen dan misschien langer moeten werken. Dat is een afweging die je moet maken.’

De markt cultiveert
Is de vrije markt een doel of een middel voor een samenleving?
’Een middel. Het doel is dat mensen zich kunnen ontplooien en hun behoeften kunnen bevredigen. Daar gaat het uiteindelijk over in de economie. Het is kijken naar hoe je het beste om kunt gaan met de schaarste en hoe je die schaarste kunt verminderen door mensen met elkaar te laten samenwerken. De markt is daar dan ook op ingericht.’

Wordt niet in de moderne vrijemarkteconomie de schaarste juist gecreëerd?
’Ik zie het niet zo zwart-wit maar er zijn gebieden van de economie waar mensen nooit bevredigt zullen worden. Er is natuurlijk altijd de schaarste die mensen ten opzichte van anderen ervaren: de relatieve schaarste. Dat is schaarste die je nooit kan opheffen. Het is in die gebieden belangrijk om de economie en de markt te begrenzen door bepaalde normen en waarden. Dat wil niet zeggen dat dat meteen voor de hele economie zo is. Er zijn wezenlijke behoeftes van mensen die voldaan moeten worden. Een goed functionerende  economie is essentieel als het gaat om armoede-en werkloosheidbestrijding en het creëren van kansen voor mensen om zich te ontwikkelen.’

Het homo economicus model, dat de mens een rationeel zelfzuchtig wezen is, wordt door de meeste economen als rekenmodel gebruikt voor economische voorspellingen. Is het omhelzen van een dergelijk model niet een self fulfilling prophecy?
’In sommige aspecten kan dat zo zijn maar het homo economicus model is te sterk geformuleerd. Ik denk dat de mens wat gecompliceerder in elkaar zit. In bepaalde delen van het leven is dit model heel bruikbaar. Als we in de supermarkt staan dan lijkt het model wel op te gaan. De homo economicus is een simplificatie van hoe de mens in bepaalde dimensies kan handelen. Het is geen slechte benadering als je kijkt naar de financiële markten. Voor de complexe realiteit heb je andere modellen nodig. Er zijn verschillende dimensies in het menselijk leven waarop diverse modellen van toepassing kunnen zijn en daar is het homo economicus model er slechts één van.’

Bepaalde linkse filosofen, zoals Luc Ferry, denken dat het toejuichen van zelfzucht, waar de economie op rekent, een onwenselijke samenleving tot gevolg heeft.
’Deze zorgen zijn begrijpelijk maar andersom werkt het ook. Als je mensen te weinig disciplineert dan krijg je uitvretergedrag. Markteconomie leidt juist tot meer verantwoordelijke mensen. De markt cultiveert mensen. Als je naar landen kijkt waar ze geen goede markt hebben zoals Rusland dan zie je ook hoe de cultuur daar volledig verziekt en corrupt is.

De vrije markt hoeft dus helemaal niet cultuurondergravend te werken. Ik denk dat het vaak juist andersom is. De vrije markt cultiveert juist waarden zoals inzet, geduld, emancipatie en de zorg voor anderen. De markt zegt alleen maar: je mag iets krijgen als je ook iets terug doet. Als je mensen iets geeft zonder dat ze daar iets voor terug moeten doen werkt dit over het algemeen tegen je. De markt geeft mensen een kans om iets terug te doen voor elkaar. Mensen zijn daarmee constant op zoek naar wat goed is voor de ander. Het is ook heilzaam dat de markt macht decentraliseert. Gecentraliseerde economische macht heeft meestal ongewenste resultaten. De mens kan die macht niet aan. De vrije markt is in die zin een heel interessant middel in het vormen van cultuur.’|